Toelichting op de geconsolideerde jaarrekening

20 Niet in de balans opgenomen activa en verplichtingen

Voorwaardelijke verplichtingen

Specificatie voorwaardelijke verplichtingen

in miljoenen euro's

2015

2014

Verplichtingen uit hoofde van onherroepelijke faciliteiten

1.255

1.471

Terugkoopverplichtingen

1.425

1.132

Totaal

2.680

2.603

De onherroepelijke faciliteiten bestaan onder meer uit kredietfaciliteiten die zijn toegezegd aan klanten, maar waarop nog geen beroep is gedaan. Deze faciliteiten zijn toegezegd voor een vastgestelde tijdsduur en tegen een variabel rentepercentage. Voor het merendeel van de onherroepelijke kredietfaciliteiten zijn zekerheden gesteld.

Een deel van de vorderingen met hypothecaire zekerheid zijn in het verleden door een rechtsvoorganger van SNS Bank verkocht. Deze verkooptransactie houdt in dat SNS Bank als rechtsopvolger een terugkoopverplichting heeft op de renteherzieningsdatum van de betreffende vordering. Bij het bepalen van onderstaand vervalschema wordt rekening gehouden met een vervroegd aflossingsrisico op hypotheken van 10,8 procent (2014: 6,8 procent).

Daarnaast zijn SNS Bank en SRLEV (de vennootschap waarin de levensverzekeringsactiviteiten van VIVAT N.V zijn ondergebracht) in 2015 overeengekomen dat SNS Bank een hypotheekportefeuille van SRLEV (terug)koopt, de waarde van de terug te kopen hypotheekportefeuille is per 31 december 2015 € 461 miljoen. De hypotheken worden op maandelijkse basis teruggekocht indien een leningdeel aan bepaalde voorwaarden voldoet, zoals renteherzieningsdatum en omzetting van de aflosvorm. Bij het bepalen van onderstaand vervalschema wordt rekening gehouden met een vervroegd aflossingsrisico op hypotheken van 10,8 procent.

Vervalschema terugkoopverplichtingen

in miljoenen euro's

2015

2014

< 1 jaar

218

131

1 - 5 jaar

548

391

> 5 jaar

659

610

Totaal

1.425

1.132

Garantie- en compensatiestelsels

Op 26 november 2015 is de Europese richtlijn inzake depositogarantiestelsel geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. De Europese richtlijn voor het depositogarantiestelsel geeft gemeenschappelijke vereisten in de hele EU met het doel de bescherming van de spaarders te versterken. Het zorgt ervoor dat spaarders profiteren van een gegarandeerde dekking tot € 100.000 in geval van faillissement. Deze bescherming wordt gerealiseerd door voor dit depositogarantiestelsel de middelen te vergaren uit de bankensector. Een belangrijk onderdeel van de nieuwe regelgeving is een nieuw, vooraf gefinancierd depositogarantiestelsel (DGS). Banken gaan in het nieuwe DGS op kwartaalbasis premies afdragen aan een nieuw depositogarantiefonds (DGF). De hoogte van de premie die SNS bank betaalt, hangt af van het bedrag aan gegarandeerde deposito's bij SNS bank en het risicoprofiel, mede in relatie tot de andere banken die deel uitmaken van het stelsel. De doelomvang van het fonds is gelijk aan 0,8 procent van het totaal aan gegarandeerde deposito's van de banken gezamenlijk, een omvang die in 2024 moet zijn bereikt.

In 2015 is een Nationaal Resolutie Fonds (NRF) opgericht voor de financiering van ordelijke liquidaties van falende banken. Dit fonds wordt door (ex-ante) bijdragen van de banken gefinancierd. In 2016 zal het NRF worden vervangen door het Single Resolution Fonds (SRF). De benodigde middelen voor het SRF worden in acht jaar opgebouwd, met als doel het bereiken van ten minste 1 procent van het bedrag aan gedekte deposito's van alle kredietinstellingen van alle deelnemende lidstaten. In 2015 heeft SNS Bank € 13 miljoen aan het NRF bijgedragen.

Toekomstige betalingsverplichtingen

De toekomstige minimale betalingsverplichtingen operationele leasecontracten betreffen gehuurde panden.

Looptijd toekomstige minimale betalingsverplichtingen operationele leasecontracten

in miljoenen euro's

2015

2014

< 1 jaar

15

6

1 - 5 jaar

50

8

> 5 jaar

58

--

Totaal

123

14

De toekomstige betalingsverplichtingen van de operationele leasecontracten worden bij realisatie verantwoord onder de post overige operationele lasten. De belangrijkste overeenkomsten hebben verlengingsmogelijkheden. Er bestaan geen opties tot het verwerven van eigendom en geen opgelegde beperkingen uit hoofde van de leasecontracten.
SNS Bank staat garant voor de huurovereenkomst van het hoofdkantoor welke nog op naam staat van SRH (voormalig moedermaatschappij SNS REAAL). Deze huurverplichtingen zijn opgenomen in bovenstaande tabel. Een deel van het hoofdkantoor wordt weer aan een derde partij (voormalig zustermaatschappij VIVAT) onderverhuurd. Deze toekomstige huuropbrengsten bedragen voor 2015 € 1 miljoen en voor een periode van 1 tot 5 jaar € 4 miljoen. Voor een periode langer dan 5 jaar bedraagt de huuropbrengst € 1 miljoen. Het huurcontract loopt tot 1-7-2021.

De toekomstige betalingsverplichtingen uit autoleasecontracten bedragen voor 2015 € 6 miljoen en voor een periode langer dan één jaar € 4 miljoen. Er is geen verplichting voor een periode langer dan 5 jaar.

SNS Bank heeft voor de IT ondersteuning enkele grote langlopende contracten afgesloten voor een bedrag van € 24 miljoen (2014: 12 miljoen).

Looptijd toekomstige IT verplichtingen

in miljoenen euro's

2015

2014

< 1 jaar

12

6

1 - 5 jaar

12

6

> 5 jaar

--

--

Totaal

24

12

Juridische procedures

SNS Bank en haar dochterondernemingen zijn en kunnen van tijd tot tijd betrokken worden bij overheids-, gerechtelijke en arbitrageprocedures die betrekking hebben op vorderingen die voortvloeien uit de normale bedrijfsuitoefening. Deze procedures kunnen worden ingesteld door en tegen de betreffende vennootschap. De belangrijkste procedures worden hieronder beschreven.

Madoff

Een stichting die optreedt namens een groep execution-only-klanten heeft in april 2010 een gerechtelijke procedure tegen SNS Bank aangespannen wegens de vermeende verliezen die men op beleggingen in bepaalde buitenlandse beleggingsfondsen (waaronder Madoff-toevoerfondsen) had geleden. In de procedure bij de rechtbank is in januari 2013 vonnis gewezen. De rechter heeft geoordeeld dat SNS Bank fouten heeft gemaakt en daarmee contractuele verplichtingen niet is nagekomen. SNS Bank heeft hoger beroep ingesteld. Ten behoeve van de claim is een voorziening getroffen.

In 2010 is door drie Madoff-toevoerfondsen in New York een gerechtelijke procedure gestart tegen onder andere SNS Global Custody, het bewaarbedrijf van SNS Bank, en haar klanten als voormalig economische eigenaren van beleggingen in deze fondsen. Een soortgelijke procedure is opgestart door een van deze fondsen tegen SNS Global Custody op de Britse Maagdeneilanden (BVI). Zij vorderen terugbetaling van de door de fondsen verrichte betalingen met betrekking tot de inkoop van beleggingen door deze economische eigenaren. In het verlengde van deze rechtszaken is ook de curator van Madoff een procedure tegen SNS Bank en SNS Global Custody gestart. De hiervoor genoemde procedures in New York, waarin vele financiële instellingen wereldwijd zijn gedagvaard in soortgelijke procedures, bevinden zich in een overwegend beginnend stadium. SNS Bank zal zich krachtig verdedigen en kan op dit moment geen betrouwbare inschatting maken van een eventuele voorziening als gevolg van deze vorderingen. Ten aanzien van een aantal belangrijke voorvragen met betrekking tot de claim op de BVI is tot in laatste instantie een uitspraak gedaan die in het voordeel is van SNS Bank.

Procedures naar aanleiding van de nationalisatie

Algemeen

Diverse oorspronkelijke rechthebbenden van de in 2013 door de Staat onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank zijn juridische procedures gestart om hun schade vergoed te krijgen. Per datum van het opmaken van de jaarrekening zijn er (nog) geen gerechtelijke procedures gestart tegen SNS Bank anders dan hierna vermeld. Op dit moment is nog geen inschatting te maken van zowel de kans dat mogelijke juridische procedures van oorspronkelijke rechthebbenden of overige betrokkenen bij de nationalisatie tot een verplichting zullen leiden als de hoogte van de financiële impact op SNS Bank. Om die reden zijn ten aanzien van mogelijke juridische procedures door oorspronkelijk rechthebbenden of overige betrokkenen eind 2015 geen voorzieningen gevormd.
Aangezien de uitkomst van mogelijke juridische procedures niet met zekerheid bepaald kan worden, valt niet uit te sluiten dat een negatieve uitkomst daarvan een materiële negatieve financiële impact zou kunnen hebben op de vermogenspositie, resultaten en/of kasstromen van SNS Bank.

Enquêteprocedure Vereniging van Effectenbezitters

In november 2014 heeft de Vereniging van Effectenbezitters (de ‘VEB’) bij de Ondernemingskamer te Amsterdam een verzoekschrift ingediend tot het houden van een enquête naar het beleid van SNS REAAL, thans SRH, SNS Bank en het voormalige SNS Property Finance, thans Propertize, over de periode 2006 tot heden. De bevoegdheid tot het indienen van een verzoekschrift tot het houden van een enquête is door SRH, SNS Bank en Propertize betwist. De Ondernemingskamer heeft het verzoek ten aanzien van SRH toegewezen en ten aanzien van Propertize afgewezen. De beslissing ten aanzien van SNS Bank heeft de Ondernemingskamer vooralsnog aangehouden. SRH is in oktober 2015 tegen de toewijzing van het verzoek in cassatie gegaan. SNS Bank en Propertize hebben zich bij dit cassatieverzoek aangesloten. Alleen wanneer de VEB onherroepelijk ontvankelijk wordt geoordeeld in haar verzoek, kunnen de inhoudelijke gronden van het verzoek worden behandeld.

Verklaringen uit hoofde van art. 2:403 BW Propertize c.s.

Deze procedure houdt geen rechtstreeks verband met het onteigeningsbesluit maar vloeit voort uit de daarop volgende verzelfstandiging van Propertize B.V. In het kader van die verzelfstandiging hebben SRH en SNS Bank de in het verleden voor Propertize c.s. afgegeven 403-verklaringen ingetrokken. Door het verstrijken van de verzettermijn is deze intrekking voor alle crediteuren onherroepelijk geworden, met uitzondering van twee partijen die vorderingen op Propertize c.s. pretenderen: Commerzbank en - zakelijk weergegeven - de curatoren in de faillissementen van de 2SQR- vennootschappen, voormalige cliënten van Propertize. In januari 2015 is het door deze partijen ingestelde verzet tegen de intrekking van de 403-verklaringen door de rechtbank gegrond verklaard. SRH, SNS Bank en ook Propertize hebben hiertegen hoger beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer van het hof Amsterdam. Eind december 2015 heeft ook de Ondernemingskamer het verzet gegrond verklaard. SRH en SNS Bank zijn in cassatie gegaan. De uitkomst van deze verzetprocedure heeft als zodanig geen materiële betekenis voor de balans van SNS Bank. Voor de onderliggende, door Propertize betwiste, gepretendeerde vorderingen zijn geen voorzieningen getroffen.
De curatoren in de faillissementen van de 2SQR-vennootschappen zijn inmiddels een procedure bij de rechtbank begonnen over hun gepretendeerde vordering op Propertize – waarvoor zij SNS Bank aansprakelijk houden op grond van de 403-verklaring. In deze procedure vindt aldus de inhoudelijke beoordeling van de gepretendeerde vordering plaats.

Verder hebben enkele wederpartijen van Propertize, die juridische procedures voeren tegen Propertize, daarbij tevens SNS Bank gedaagd. De juridische grondslag daarvan is onduidelijk en SNS Bank acht de kans van slagen van deze vorderingen tegen SNS Bank ook beperkt.

Overige procedures relevant voor SNS Bank

Verder zijn er nog procedures waarbij SNS Bank geen (proces)partij of rechtstreeks onderwerp van onderzoek is maar het verloop en uitkomst van deze trajecten mogelijk materiële invloed kan hebben op de positie van SNS Bank.

Dit geldt allereerst voor de door rechthebbenden van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SRH en SNS Bank gestarte schadeloosstellingsprocedure bij de Ondernemingskamer. In de door de Ondernemingskamer op 11 juli 2013 gewezen tussenbeschikking heeft de Ondernemingskamer onder meer uitgangspunten voor de waardebepaling gegeven. De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 20 maart 2015 over die uitgangspunten uitgesproken.

Een van de uitgangspunten was dat de schadeloosstelling hoger moet zijn dan het aanbod van € 0, omdat de Minister dat aanbod onvoldoende heeft toegelicht. Volgens de Hoge Raad moet de Ondernemingskamer zelf, dus los van het aanbod, de schadeloosstelling vaststellen, en daarvoor is niet van belang hoe de Minister zijn aanbod heeft toegelicht. Dat betekent dat de schadeloosstelling alsnog op € 0 zou kunnen uitkomen.

Daarnaast beoordeelt de Hoge Raad een groot aantal andere door de Ondernemingskamer gegeven uitgangspunten voor de schadeloosstelling, waaronder de betekenis van de beurskoers voor de waardebepaling en de vraag of rekening mag worden gehouden met het optreden van De Nederlandsche Bank voorafgaand aan de onteigening (het zogenaamde SREP-besluit). Op diverse punten worden nieuwe uitgangspunten geformuleerd. Het gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad is dat de schadeloosstellingsprocedure, die bij de Ondernemingskamer wordt voortgezet, op diverse punten moet worden bijgesteld.

De Ondernemingskamer heeft – met inachtneming van de in het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015 gegeven kaders – bij beschikking van 26 februari 2016 bepaald dat de waarde van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen, en derhalve of een schadeloosstelling verschuldigd is, dient te worden vastgesteld door deskundigenonderzoek. In dat verband heeft de Ondernemingskamer drie deskundigen benoemd, die het onderzoek zullen gaan uitvoeren. Uit de beschikking volgt dat de Ondernemingskamer ernaar streeft dat de deskundigen op 1 oktober 2016 hun onderzoeksrapport opleveren. Een eventuele uit deze procedure voortvloeiende schadeloosstelling wordt voldaan door de Staat.

Daarnaast heeft een aantal partijen de uitkomst van de beroepsprocedure bij de Raad van State, waarbij het onteigeningsbesluit in stand is gelaten, ter toetsing voorgelegd aan het Europees Hof voor Rechten van de Mens (‘EHRM’). Bij uitspraken van 14 januari 2014 en 11 februari 2014 heeft het EHRM de zaken op een aantal onderdelen niet- ontvankelijk verklaard en voor het overige geoordeeld dat momenteel nog nationale procedures aanhangig zijn over (eventuele) compensatie in verband met de onteigening. Het gaat daarbij met name om de schadeloosstellingsprocedure voor de Ondernemingskamer. Een hernieuwde rechtsgang naar het EHRM na het onherroepelijk eindigen van de Ondernemingskamer-procedure behoort tot de mogelijkheden. Deze rechtsgang zal dan echter in beginsel alleen betrekking kunnen hebben op de procesgang rondom de schadeloosstelling in verband met de nationalisatie. Het EHRM heeft bij uitspraak van 9 april 2015 namelijk geoordeeld dat de beroepsprocedure zelf als rechtmatig heeft te gelden. Het EHRM verklaarde de hiertegen gerichte klachten niet-ontvankelijk. Het Hof stelde dat obligatiehouders tijdens het proces van de onteigening niet geconfronteerd werden met een oneerlijk nadeel.

Overig

AFM onderzoek rentederivaten

SNS Bank heeft in 2014 en 2015 op verzoek van de AFM de rentederivaten van haar klanten herbeoordeeld met het doel om vast te stellen of de klant in het verleden adequaat is geadviseerd. Deze herbeoordeling zag op rentederivaten die op 1 april 2014 nog niet waren geëindigd. SNS Bank heeft betrokken klanten medio 2015 persoonlijk geïnformeerd over de uitkomsten van deze beoordeling.

De AFM heeft op 4 december 2015 aan SNS Bank laten weten dat er mogelijk een nieuwe herbeoordeling van de rentederivaten moet plaatsvinden. SNS Bank is sindsdien met de AFM hierover in gesprek geweest. Op 1 maart 2016 hebben de AFM en de Minister van Financiën bekend gemaakt dat er drie onafhankelijke deskundigen worden benoemd. Deze deskundigen zullen met de banken een uniform herstelkader overeenkomen. Volgens de AFM en de Minister van Financiën zal dit kader voorschrijven hoe de nieuwe herbeoordelingen moeten plaatsvinden en welke herstelacties uitgevoerd moeten worden. SNS Bank heeft aangegeven in te stemmen met deze aanpak. Omdat vooralsnog onduidelijk is wat de exacte omvang en reikwijdte van het uniform herstelkader zal zijn, kan op dit moment geen betrouwbare inschatting worden gemaakt van een eventuele voorziening.

SLUITENDOWNLOAD SELECTIE

Stel uw jaarverslag zelf samen

SELECTIE (0)